donderdag 25 november 2010

Scenario/persona

Abu Mohammed (38 jaar) is een voormalige boer uit het dorp Nabk dat in de Wadi Al-Miya vallei van de Kalamon bergen ligt. Vroeger werd dit de vallei van het water genoemd, maar vandaag de dag is het een droge dorre zandvlakte. Abu heeft zijn boerenbestaan opgegeven, omdat hij en zijn familie hier niet meer van kunnen leven. In het gebied is helemaal geen landbouw meer mogelijk, alleen maar kleine privé-tuintjes die geïrrigeerd worden met water dat van een tankwagen gekocht kan worden. Dit kost ongeveer 100 Syrische pond (1,60 euro) per kubieke meter, wat voor Syrische begrippen erg duur is.

Vroeger waren er genoeg bronnen van water: regenval, oppervlaktewater vanuit de Anti-Libanese bergen en grondwater uit de bronnen en ‘qanats’ (ondergrondse tunnels). Er was geen irrigatie nodig, de regenval was voldoende om de gewassen te bevloeien. In de tijden van voldoende water verbouwden de boeren graan, tarwe, gerst, aardappelen, suikerbieten, uiten, knoflook en walnoten. De gewassen waren zo groot dat er zelfs geen zonlicht op de grond eronder kwam. De vallei stond bekend als de ‘beit al moune’ oftewel de voedselbank van de omgeving.
Iedere boerderij had een kleine put en een molentje die het water uit de bodem omhoog haalde in tijden van minder regenval. Sinds een aantal jaren is het grondwater zo ver gedaald dat die molens alleen nog maar als decoratie functioneren. Ongeveer 25 jaar geleden begon Abu een motorpomp te gebruiken om grondwater omhoog te pompen. De pomp moest toen 35 meter diep gaan om grondwater te vinden. Tegenwoordig is er geen water boven de 250 meter diep te vinden. De boerderij die Abu als familiebedrijf van zijn vader heeft overgenomen, heeft geen moderne irrigatiemechanismen, waardoor het bevloeien van het land meer kosten aan water met zich meebracht dan dat de gewassen opleverden.

Toen het water door extreme droogte schaarser begon te worden en de boerderijen niet meer genoeg opbrengsten hadden, verlieten steeds meer mensen het dorp om op andere plaatsen werk te zoeken om zo hun familie te kunnen onderhouden. Hierdoor groeien de steden en wordt de landbouwsector steeds kleiner. Alhoewel veel boeren uit het dorp zijn getrokken zijn Abu en zijn familie wel gebleven. Abu heeft werk gevonden in een schoenenfabriek dichtbij Damascus. Elke dag rijdt er een bus langs de dorpen om de werknemers op te halen. Abu krijgt hier net genoeg betaald om zijn gezin te onderhouden. Abu werkt zeven dagen per week om ervoor te zorgen dat zijn drie kinderen niet hoeven te werken en naar school kunnen. Hij vind de toekomst van zijn kinderen belangrijk. Toen Abu nog boer was werkte hij ook hard, maar had hij het ruimer en had hij meer tijd voor zijn familie. Bovendien had hij toen plezier in zijn werk. Abu vind het zeer spijtig dat hij zijn familiebedrijf waar hij zo trots op was op heeft moeten geven. Hij vertelt zijn kinderen vaak over zijn mooie tijden als boer. Hij hoopt dat de vallei ooit weer zo vruchtbaar zal worden dat hij zijn boerenbestaan weer op kan pakken en zijn kinderen hem hierin op kunnen volgen.

Abu heeft gehoord van boeren uit Aleppo die nieuwe irrigatietechnieken gebruiken. Ze hebben een druppelmechanisme aangeschaft, zodat de gewassen heel efficiënt bevloeid worden. Helaas kan Abu nog maar net rond komen en heeft hij niet de middelen om te investeren in zulke mechanismen. Hij hoopt dat zijn kinderen door scholing in dienst kunnen bij moderne boeren en zo geld kunnen sparen om vervolgens hun eigen boerderij met efficiënt watermanagement te kunnen beginnen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten